|
|
|
|
Functionaliteit en Leren
- 'Moderne inzichten in het leren van functionele motoriek en de praktische toepassingen
binnen de fysiotherapie' -
|
Datum:
|
6 - 12 maart 2011
|
|
|
Docent:
|
Frans Bosch
|
|
Doelgroep:
|
fysiotherapeuten, manueeltherapeuten en sportfysiotherapeuten
|
|
Contact-/zelfstudie-uren:
|
27 contacturen en 5 zelfstudie-uren
|
|
Aantal deelnemers:
|
25 deelnemers
|
|
Accreditatie:
|
wordt aangevraagd voor de registers Algemeen fysiotherapeut, Manueeltherapeut en
Sportfysiotherapeut.
|
De nieuwste inzichten in functionele trainingsleer tonen aan dat niet alleen het
brein centraal gesteld moet worden, maar dat juist de verbanden met directe perceptie
en dynamische patronen tot het gewenste resultaat leiden; van incidentele bewuste
besturing naar geautomatiseerde besturing voor blijvend betere functionaliteit.
Tijdens deze cursusweek leren wij hoe wij de patiënt functionele bewegingen
kunnen aanleren vanuit een geautomatiseerde besturing met blijvend en beter resultaat.
Hierbij bespreken wij onder andere:
- de rol van de directe perceptie,
- de rol van de zelforganisatie van bewegingssystemen,
- de rol van de aandacht,
- de rol van de compensatie en
- de rol van de instructie via indirect leren
Een trainer wil, dat de training in het krachthok, ook een positief effect heeft
op de sportbeweging buiten het krachthok. Een fysiotherapeut wil dat de oefentherapie
een positief effect heeft op activiteiten buiten de oefenruimte. Beiden willen dat
er een “transfer” ontstaat. We weten dat deze transfer min of meer gegarandeerd
wordt als de oefenvorm specifiek is ten opzichte van de te verbeteren doelbeweging.
We gebruiken bij het oefenen dezelfde spieren als in de doelbeweging, we gebruiken
ze op dezelfde manier en vooral in training proberen we dezelfde bewegingspatronen
en bewegingsuitslagen als in de doelbeweging toe te passen. Vooral fysiotherapeuten
zijn geneigd om een enorme precisie in houding- en bewegingscorrectie te zien als
een teken van vakmanschap. De beslissende factor voor de transfer of trainen is
helaas niet of de trainer/fysiotherapeut de specificiteit van een oefenvorm ziet,
maar of het trainende organisme een oefenvorm als specifiek ervaart. Trainers en
fysiotherapeuten zijn geneigd om erg mechanisch en lineair te denken; het organisme
denkt echter anders. Het organisme probeert bewegingsstructuren zo breed mogelijk
inzetbaar te laten zijn. Bewegingen die niet breed inzetbaar zijn, behandeld het
als tijdelijk incidenten die na gebruik het beste gewist kunnen worden uit het motorische
geheugen. Anders wordt de motorische controle een rommeltje. Welke mechanismen hanteert
het trainende systeem in het opbouwen van motorische controle. Welke rol speelt
sensoriek hierin? Is er voorkeur voor directe perceptie? Waarom redeneert het lichaam
van het gevolg naar de oorzaak van de beweging en niet van de oorzaak naar het gevolg?
Hoe kunnen we specificiteit zo definiëren, dat het trainende lichaam het met die
definitie eens kan zijn? Als we in staat zijn om de ordeningsprincipes van het motorische
systeem te volgen, zal het leereffect sneller optreden, beter in het geheugen worden
opgeslagen en makkelijker in allerlei situaties kunnen worden toegepast.
Een aantal vragen die in de cursus behandeld worden zijn:
- Hoe is motoriek in het organisme georganiseerd en hoe leert het lichaam?
- Waarom is het lichaam in niet-perfecte algemeen gelden principes geïnteresseerd
en nauwelijks in incidentele perfecte bewegingsuitvoeringen?
- Hoe zien die algemeen geldende principes er uit?
- Hoe clustert het lichaam de diverse bewegingspatronen (hoe zijn deze algemeen geldende
principes geordend in het systeem)?
- Wat is de waarde van een brein-centraal denkmodel versus een model van gedecentraliseerde
zelforganisatie van motoriek?
- Hoe ziet zelforganisatie er in de praktijk er uit?
- Wat zijn de eisen die laboratorium settings (de fysio oefentherapie) stelt aan de
controle van de motoriek en wat zij de eisen die bewegingen in de echte wereld stelt
aan de controle van de motoriek?
- Hoe verloopt het motorische leerproces?
- Hoe snel verloopt het motorische leerproces?
- Hoe herken je het leerproces?
- Wat is de rol van de therapeut in het leerproces?
- Hoe werkt feedback?
- Wat voor 'tools' zijn er voor het goed begeleiden van leerprocessen?
Doel
Aan het eind van de week is de cursist in staat de moderne inzichten op het gebied
van motorisch leren en motorische controle toe te passen in het praktisch fysiotherapeutisch
handelen. Hierdoor is de cursist in staat protocollen op te stellen waarbij door
geautomatiseerde besturing van functionele bewegingen blijvende verbetering optreedt,
zoals bij de behandeling van hamstringblessures, achillespeesklachten, schouderinstabiliteiten,
etc.
Deze aanpak laat zich deels in technieken vertalen, maar het hangt vooral van de
hulpverlener zelf af of hij een bepaalde levenshouding kan overbrengen. Vandaar
dat dit onderdeel vooral een uitdaging is voor de ontwikkeling van de hulpverlener
als professional, als helper en als mens.
Aanmelden
Klik hier als u zich wilt aanmelden voor deze cursus.
|
|
|
|